ONTWIKKELINGSMOGELIJKHEDEN IN DE BRUGSE BINNENHAVEN

dinsdag 03 mei 2005


HRS-BIJLAGE 2 

ONTWIKKELINGSMOGELIJKHEDEN IN DE BRUGSE BINNENHAVEN ( zie foto’s www.groenvzw.tk )

De Brugse binnenhaven -grosso modo de zone tussen de Pathoekeweg en de Lodewijk Coiseaukaai- is een gebied dat van bij de eerste aanblik het hart van stedenbouwkundige planners en architecten sneller doet slaan. Dicht aansluitend bij de binnenstad en zich uitstrekkend over vele tientallen hectaren biedt deze zone fantastische ontwikkelingsmogelijkheden.

Welke richting de ontwikkeling van de Brugse binnenhaven uiteindelijk moet uitgaan, is een kwestie van zo’n groot belang voor Brugge, dat het niet onverstandig lijkt een polyvalente Commissie uit de overheids- én de privé-sector (planners, architecten, economen, mobiliteitsdeskundigen, havendeskundigen, vertegenwoordigers van industrie en handel, omwonenden, historici en futurologen, ….) aan het werk te zetten, ter voorbereiding van een Master Ontwikkelingsplan. In een tweede fase kan misschien een prestigieuze stedenbouwkundige wedstrijd georganiseerd worden om de marsrichting, die door voormelde Commissie werd uitgestippeld, in een duurzame architecturale vormentaal om te zetten.

De Brugse Docklands

Wie voor het eerst de zone tussen de Lodewijk Coiseaukaai en het Emile Cousindok betreedt, waant zich plots aan de verwaarloosde rand van een bankroete grootstad. Een troosteloze, hectaren grote ruimte strekt zich voor hem uit, een ondankbare omgeving voor de Cultuurfabriek Entrepot en enkele dappere overgebleven bedrijven.

Vermits deze zone zowel aansluit bij de woonkern Sint-Jozef (Koolkerke) als een fascinerend uitzicht biedt op de zuidelijke uitlopers van het Boudewijnkanaal (het Nyssens Hartdok, het Van Nieuwenhuysedok en het Emile Cousindok) rijst spontaan de gedachte aan een mogelijke ontwikkeling van Brugse ‘Docklands’. Zoals in Londen, langs de oever van de Theems, zou hier een boeiend complex van kantoren, woontorens en andere woongelegenheden kunnen gepland worden. De Quenuskaai leent zich tot de aanleg van een romantische promenade voor voetgangers en fietsers (bestaand voorbeeld: de Brugse Kolenkaai). Langs de Krakeleweg, aan de overkant van het Vannieuwenhuysedok, wenken Inter-Beton en de graantorens van Mengvoeders Huys (suggererend dat hoogbouw in deze omgeving allerminst storend is). In noordelijke richting wijst het Boudewijnkanaal, geaccentueerd door een rij wiekende windmolens, recht naar zee. In zuidelijke richting zijn de drie Torens van Brugge goed zichtbaar.

Het komt er in de ‘Brugse Docklands’ niet op aan uitgebreide stroken groen te creëren. Het volstaat de groenas langs de oostelijke zijde van het Boudewijnkanaal en langs het Nyssens Hartdok te versterken, enkele goed gekozen groenstrips aan te brengen tussen de kantoor- en wooneenheden, en voor de bedrijven en opslagloodsen langs de Kaap Hoornkaai (eventueel ook Graaf Visartkaai) een fraai groenscherm te voorzien.

Het wonen en werken langs het Nyssens Hartdok zou nog aantrekkelijker gemaakt kunnen worden, zo de Lodewijk Coiseaukaai, die ter hoogte van de gebouwen van de Zeescouts Sint-Leo een bocht maakt, via een brug over het Nyssens Hartdok, rechtdoor zou getrokken worden naar de Kaap Hoornkaai. Zo zouden de Brugse Docklands gevrijwaard blijven van snel doorgaand verkeer. Het Nyssens Hartdok kan verder blijven fungeren als een kleine, aantrekkelijke marina.

Door inbreiding naar intenser industrieel ruimtegebruik

Een verkenning in de zone tussen de Julius Sabbekaai en het Lisseweegs Vaartje, waarin de Krakeleweg en vooral de Pathoekeweg belangrijke Brugse industriële aders zijn, levert verbijsterende vaststellingen op.

In een stad waar acute plannen bestaan om een gedeelte van een oud bos te kappen voor industrie-uitbreiding (het Lappersfortbos) en om een stuk open groene ruimte te vernietigen voor de inplanting van kantoorachtigen (het hoofdkwartierenproject in de Chartreuse), kan men logischerwijze alleen maar veronderstellen dat in de bestaande zones voor de industrie een bijzonder prangende nood aan ruimte heerst.

De ongelooflijke realiteit is dat fotografen die beelden willen schieten van groene velden met wiegend gras, van paarden die grazen op een uitgestrekte weide of van vrolijk in het groen rondhuppelende konijntjes, uitstekend terecht kunnen in het industrieel gedeelte van de Brugse binnenhaven (ten oosten van de Julius Sabbekaai). Ten bewijze hiervan kan men op de website van Groen Vzw ( www.groenvzw.tk ) een aantal idyllische foto’s bewonderen, die niet zouden misstaan als illustratie van Felix Timmermans’ Boerenpsalm.

Voor sommigen, die (verkeerdelijk) denken dat een actienetwerk als het Groene Gordel Front blindweg voor ‘groen’ kiest, waar dit groen ook moge gesitueerd zijn, mag het eigenaardig lijken dat het GGF er voor pleit om door gerichte inbreiding de groene oppervlakte in het oostelijk gedeelte van het binnenhavengebied te reduceren. Het is niet door her en der tussen industriegebouwen en –terreinen ingesloten groenzones te laten bestaan, dat het ecologisch substraat van een stad op de best mogelijke manier wordt gediend. Het is verkieslijk de terrein- en arbeidsproductiviteit (productie en tewerkstelling per hectare) in de industriële zones op te voeren, maar dan ook de claim op bestaande bos- en open groengebieden te laten varen.

Waar het duidelijk is dat van industriële spelers niet langer een politiek van expansie moet worden verwacht (zoals bijvoorbeeld van Philips Brugge langs de Pathoekeweg en de katoenspinnerij UCO langs de Jacob Van Arteveldestraat), zouden onderhandelingen kunnen aangeknoopt worden om een nuttige bestemming te vinden voor hun overtollige gronden (eventueel overtollige gebouwen). De inmiddels met succes bekroonde onderhandelingen tussen Bombardier en De Lijn kunnen als voorbeeld dienen. (maar spaar de Vaartdijkstraat aub.)

Of de huidige mix van industriële bedrijvigheid, groot- en kleinhandel, en van watergebonden en niet-watergebonden ondernemingen, zoals men die kan observeren in het oostelijk gedeelte van de Brugse binnenhaven, beantwoordt aan de normen van een deugdelijke ruimtelijke ordening is twijfelachtig. Een actieve politiek van bedrijfsinbreiding in deze zone zou moeten gebaseerd zijn op een doordacht ontwikkelingsplan. Hierbij mag het visuele aspect niet verwaarloosd worden. De bedrijfsgebouwen van bv. Auto Terminal Brugge (Mercedesgarage Van Biervliet, langs de Pathoekeweg) en Perquy (Van Arteveldestraat) en het kantoorgebouw aansluitend bij Metalunion (Krakeleweg) zijn goeie voorbeelden van gebouwen met een positieve visuele uitstraling.

( wordt vervolgd )