Gewenste ruimtelijke structuur voor Brugge - Alternatief ruimtelijk concept

 


Inleiding

Het voorliggende Hanze Ruimtelijk Structuurplan (HRS) wil het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan (GRS) van de stad Brugge niet integraal in vraag stellen. Wel heeft het HRS de ambitie om aan te tonen dat het GRS niet de enige mogelijke, en ook niet noodzakelijk de meest duurzame, visie is op de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van Brugge.

Het Groene Gordel Front in Brugge en Ommeland (GGF) wil met dit HRS-document aantonen dat een aantal accenten uit het GRS in een meer duurzame richting zouden kunnen omgebogen worden.

Ook zonder het inhuren van een studiebureau meent het GGF erin geslaagd te zijn om een alternatief ruimtelijk concept op papier te zetten dat een stuk progressiever wil zijn en de trend in een meer duurzame richting wil ombuigen.

Maar ook dit beknopte HRS kan geen eindpunt betekenen. Het in de praktijk omzetten van de principes die wij hieronder schetsen, vraagt een blijvende inzet en een constante duurzaamheidstoets. En het getuigt van een gezonde maatschappelijke dynamiek als de visie in de toekomst continu kan worden aangepast aan nieuwe inzichten. Het HRS moet dan ook beschouwd worden als een prikkel om het maatschappelijk debat rond leefbaarheid, milieu en ruimtelijke ordening te blijven voeren.

Het GGF is een (hanze-)stadsnetwerk voor duurzaamheid en participatie van vele bewuste burgers en meer dan honderd samenwerkende verenigingen, waaronder Jeugdbond voor Natuurstudie en Milieubescherming, Natuurpunt, Vereniging voor Bos in Vlaanderen en Bond Beter Leefmilieu, Groen vzw, mensen uit de West-Vlaamse Basisgroepen en vele andere die ontstaan is naar aanleiding van de problematiek rond het Lappersfortbos en het Chartreusegebied. Het GGF meent een belangrijk draagvlak te bezitten, en is in die zin vragende partij om als gesprekspartner gekend te worden in besluitvormingsprocessen.

De technische werkgroep binnen het GGF (groep HANZE planning) heeft sinds het ontstaan reeds heel wat denkwerk verricht rond de ruimtelijke problematiek in het Brugse, en probeert met constructieve voorstellen in dialoog te treden met politici. Alle documenten zijn publiek beschikbaar op de verschillende websites die het GGF ondersteunen. Behalve onze eigen website http://www.ggf.be gaat het om de Hanzestadsite http://www.ggf.be/hanzestad/hanzestad.htm , een GGF-archief op Regio Brugge http://ggf.regiobrugge.be en de website van Groen vzw http://users.pandora.be/a150254/ waarop een overzicht van de belangrijkste GGF-producten te vinden is. Behalve deze eigen documenten, die intussen een bundel vormen die de concurrentie met de nota’s van het gemeentelijke ruimtelijk structuurplan en het afbakeningsproces van het regionaalstedelijk gebied aan kan, zijn ook nog eens drie scripties geschreven rond de GGF-thema’s.

Met de H van Hanze

Eerder toevallig komt de G van gemeente/groen voor de H van Hanze. Als Hanzestadnetwerk dragen wij de H van Hanze hoog in het vaandel. De Hanze als netwerk van samenwerkende medekrachten en de thuisindestaddroom van Hanzetopia, de stad waar duurzame ontwikkeling ( people, planet, participation en profit in evenwicht) en coproductie heerst. Wij smeden een Hanzestadcoalitie en bewegen duurzame en dierbare krachten van het middenveld tot een dialoog met de overheden als zorg voor de

Polis. 2006 is een ideaal moment om ‘Verbeelding & Hanze’ de hoofdrol te laten spelen. Niet door op te komen als politieke partij maar door mee beweging en visie te brengen rond de tafels van de stad…

Bijlages

Wij zijn van plan om op regelmatige tijdstippen nieuwe aanvullingen te maken rond heel concrete zaken of voorstellen met het HRS als inspiratiebron en richtinggevend plan. Onderaan leest U onze eerste bijlages

Voor het Groene Gordel Front,

Jozef De Coster, voorzitter GGF Luc Vanneste, secretaris GGF

jozef.decoster@pandora.begroenegordelfront@tijd.com

050/360648 ‘ t Kloosterhof 63 - 8200 Brugge – 050/390957

Erik Grietens, beleidsmedewerker BBL

0474/406394

Brugge, 3 mei 2005

 




De compacte stad als basis

* Historische binnenstad als creatieve smeltkroes

  • Verderzetten van het gevoerde ruimtelijk en mobiliteitsbeleid van de laatste decennia.
  • Behouden en versterken van de woonfunctie van de binnenstad.
  • Voldoende mogelijkheden voorzien voor de ontwikkeling van zakelijke en creatieve functies in of aansluitend bij de binnenstad.
  • Koesteren van de zeldzame karakteristieken die Brugge van andere steden onderscheidt en tot werelderfgoed maakt.
  • Zuidelijk deel van de binnenstad, op wandelafstand van het station, profileren als stationsomgeving met extra potentieel voor publieksaantrekkende functies.

* Residentiële randstedelijke woonlobben

  • Inbreiding (als remedie tegen de dichtslibbing van de open ruimte) creëert nieuwe kansen:
  • opvangen van bijkomende woonfuncties door inbreiding in de hoogte
  • stimuleren van nieuwe mogelijkheden voor inbreiding, onder meer door in te spelen op de vergrijzing (gemeenschappelijke tuinen, cohousing, dubbelwoonsten, beperkingen op vrijstaande woningen, reconversie, grote percelen beter benutten door ombouw tot kangoeroewoningen,...)
  • Duidelijke functietoekenning van gebieden bevordert leefbaarheid en verkeersafwikkeling.
  • Versterken van de woonkwaliteit van de woonlobben door middel van op maat gesneden verkavelingsplannen met oog voor:
  • eenheid binnen de verscheidenheid
  • buitenruimte voor spelende kinderen én ouderen
  • buurt- en wijkverkeer gescheiden van doorgaand verkeer
  • verkavelingsplannen met (meer) oog voor het sociale aspect (gemeenschappelijke voorzieningen en buitenruimte)
  • voldoende groenstructuren, ook door stimulerende maatregelen
  • Creëren van een gezonde mix van stedelijke functies (klein- en middenschalige kleinhandel, onderwijs, sport, cultuur, sociale functies, niet-milieubelastende werkgelegenheid), dit in het bijzonder in de subcentra (oude dorpskernen en recentere winkelcentra).
  • Versterken van de aanwezige groenstructuren en ecologische basiskwaliteit (bv. door stimuleren van ecologische siertuinen, door aanplantingen, door in overleg met de bewoners hier en daar vrijgroeiende bomen aan te planten in voortuinen waar dit moeilijker is binnen het openbaar domein, door het stimuleren van gevelgroen en daktuinen op platte daken.
  • Extra inzetten op scheiden van verkeersstromen, op (fiets)veiliger maken van de verbindende wegen, op openbaar vervoer en op speelstraten.

* Rastergroen in perifere woongebieden

  • Geen ruimte voor bijkomende ontwikkelingen in de meer perifere woongebieden (woonparken, uitgewaaierde stadsranden).
  • De landschappelijke en ecologische kwaliteit in deze gebieden moet versterkt worden. Dit kan onder meer door stimulansen voor de ecologische inrichting van grote tuinen (tuinvijvers voor migratie van bepaalde dieren, uitstraling van grote bomen in tuinen op wijkniveau,...).

* Compacte satellieten

  • De sterke groei van de satellieten (Sijsele, Oostkamp, Loppem, Varsenare) van de laatste decennia moet gestopt worden. Op die manier kan de mobiliteitsproblematiek onder controle gehouden worden, wordt verhinderd dat de schaalvoordelen van de stad als ideale vestigingslocatie voor heel wat functies wordt ondergraven, en wordt het dichtslibben van de open ruimte tegengehouden. Ook voor de historisch compact gebleven satellieten zoals Damme en Dudzele moet een status-quo nagestreefd worden.

Groene wiggen en gordel als harde randvoorwaarde

* Groene wiggen brengen buitengebied in de stad

  • De bestaande groene wiggen moeten duidelijk begrensd worden en de garantie bieden dat de open ruimte kan blijven binnendringen in de stedelijke structuur. Open ruimte is een schaars goed dat ook voor de komende generaties maximaal moet bewaard blijven.
  • Binnen deze groene wiggen moeten alle initiatieven gericht zijn op de inrichting en het beheer van open ruimte in functie van de stad.
  • De landbouw blijft een belangrijke rol spelen in het open houden van de groene wiggen, maar moet wel rekening houden met de vragen vanuit de stad naar landschappelijke kwaliteit, mogelijkheden voor zachte recreatie, voor natuurbeleving en hobbylandbouw. Ook moeten stimulansen naar duurzame landbouw en naar voedselbevoorrading uit eigen omgeving zich extra op deze gebieden toespitsen (inhakend op het Cittaslow-ideaal van hoogwaardig, traag te genieten voedsel). De wig waar de Sint-Pietersplas zich in bevindt kan ook sportactiviteiten en verblijfsrecreatie opnemen.
  • Omgekeerd volgt uit deze benadering dat de ontwikkeling van de "harde" stedelijke structuur zich in een vingerpatroon op openbaar-vervoer- en fietscorridors moet enten. De groene wiggen zijn dan de ruimten die zich tussen deze vingers bevinden.
  • De groene wiggen moeten de mogelijkheid krijgen om in de woonlobben binnen te dringen. Dit kan onder meer gebeuren door het stimuleren van ecologische inrichting van tuin- en parkstructuren, door de verschillende aanwezige groenkernen met elkaar te verbinden. Ook de verdere ontwikkeling van de groenassen langs de kanalen en vesten laat toe dat de groene wiggen zich in het stedelijk weefsel boren.

* Groene gordel voorkomt dichtslibbing open ruimte

  • De groene gordel moet gevrijwaard blijven en moet vermijden dat de open ruimte tussen de stad en de satellieten dichtslibt.
  • Het verankeren van de groene gordel kan door investeringen van de stad in de aankoop van strategisch gelegen open-ruimtegebieden.
  • De groene gordel vormt de verbinding van de groene wiggen en moet ook in functie daarvan ingericht en beheerd worden.

* Groenkernen als garantie voor de leefbaarheid van de woonlobben

  • De aanwezige groenpolen (Lappersfortbos, Boeverbos, Koude Keuken, Duivekeet, Ten Poele, Kasteel Ten Berge, Fort Van Beieren, Kasteel Rooigem, Veltembos, Engelendale, Bergskes,...) worden zoveel mogelijk ingericht als natuur- en parkgebied (stadspark of stadsbos) met een functie naar zachte recreatie en educatie.

* Versterking van de bosstructuur

  • De aanwezige grotere boscomplexen (omgeving Rijkevelde, Tillegem-Beisbroek) moeten versterkt worden, zowel kwantitatief als kwalitatief, en dit in functie van ecologische en zacht-recreatieve doelstellingen.

Verweving van wonen en werken naast compacte industrieclusters

* Functieverweving waar mogelijk

  • Werk- en handelslocaties moeten enkel ruimtelijk gescheiden worden van de andere functies wanneer het om milieubelastende of zwaar-verkeergenererende activiteiten gaat.
  • Zeker in de binnenstad, maar ook in (de subcentra van) de woonlobben is een gezonde mix van wonen, werken en diensten noodzakelijk om voldoende diversiteit in de stedelijke omgeving te brengen, en om de nabijheid van bepaalde functies (winkels, elementaire diensten) te verzekeren. De voordelen van een dergelijk beleid situeren zich zowel op het sociale vlak als op vlak van mobiliteit.

* Focus op de ontwikkeling van strategische locaties in functie van de compacte stad

  • Stationsomgevingen zijn zogenaamde A-locaties die prioritair moeten ontwikkeld worden. Daarbij wordt gestreefd wordt naar hoge dichtheden, een gezonde functiemix met het accent op publiekstrekkende functies die weinig goederentransport met zich meebrengen. Zowel kantoren, dienstverlening, onderwijs, overheden, leisure en wonen kunnen hier gesitueerd worden.
  • Dé prioritaire A-locatie is de omgeving van het station Brugge, waar een aangepast circulatieplan mogelijke verkeersproblemen in goede banen zal moeten leiden. Maar ook de treinstopplaats Brugge-St.-Pieters bezit een potentieel om als A-locatie te functioneren. Dit op voorwaarde dat de bediening van de stopplaats wordt opgedreven, bijvoorbeeld door de IC-trein naar Blankenberge bijkomend te laten stoppen. Een eerste stap zou kunnen gezet worden door eerder occasionele activiteiten die veel volk aantrekken (sportmanifestaties, festivals, beurzen) in de omgeving van de halte St.-Pieters (St.-Pietersplas, Campus AZ St.-Jan) te organiseren, waarbij flankerende maatregelen de verkeersoverlast tot het minimum kunnen beperken.
  • Behalve op een A-locatie, kunnen voor bepaalde ontwikkelingen ook B-locaties gevonden worden. Een B-locatie is zowel met openbaar vervoer, langzaam verkeer als autoverkeer goed bereikbaar. De B-locatie bij uitstek situeert zich langs de Expresweg

* Handelsapparaat in subcentra met focus op lokale voorziening

  • Kleinhandel is een functie bij uitstek die zo dicht mogelijk bij de afzetmarkt (gezinnen) moet gesitueerd worden. Het is dan ook van belang dat elke woonlob over een goed uitgebouwd lokaal kleinhandelsapparaat (minstens buurtwinkels en een supermarkt) kan beschikken.
  • Kleinhandelszaken die een eerder bovenlokale functie vervullen, worden ook gelokaliseerd in aansluiting bij de eerder lokaal georiënteerde bestaande kleinhandelszones, in het bijzonder de omgeving van Carrefour St.-Kruis, Sint-Pieterskaai en Expresweg-Gistelse en Torhoutse Steenweg. Op die plaatsen is eveneens ruimte voor inbreiding door bouwmogelijkheden in de hoogte of ondergronds.
  • Een locatie voor een hypermarkt die op provinciaal of gewestelijk niveau functioneert is bijgevolg niet nodig en niet wenselijk. Het voornaamste resultaat van een dergelijke vestiging zou bestaan in het extra genereren van autoverkeer en het ondergraven van het draagvlak van de meer nabije winkels.

* Ruimte-intensieve ontwikkeling van bestaande industriegebieden

  • Bestaande industriegebieden moeten op een maatschappelijk verantwoorde wijze ontwikkeld worden, met een sterk accent op inbreiding. Te nemen maatregelen zijn: bouwen in verdiepingen, flexibel bouwen op privé-reserveterreinen, sanering van brownfields, gemeenschappelijk voorzien van parkeerterreinen, door speculatie braak liggende percelen activeren (cf. WES-rapport 36 %).
  • Publieksgerichte activiteiten zoals kleinhandel moeten geweerd worden uit industriegebieden. Enkel voor de handel in volumineuze goederen (meubelen, bouwmaterialen, witgoed,...) kan een specifieke kleinhandelszone voorzien worden aansluitend bij een industriegebied.

* Geen verdere uitwaaiering van hoogdynamische functies

  • Door de ontwikkeling in hoge dichtheden van de A- en B-locaties te stimuleren is het mogelijk om bijkomende kantoorachtige ontwikkelingen niet langer te laten uitwaaieren. Voor ongewenste perifere headquarterzones wordt hiermee alvast een alternatief geboden.
  • Bijkomende industrieterreinen kunnen niet ontwikkeld worden zolang er mogelijkheden bestaan voor inbreiding.

* Maatregelen tegen speculatie

  • Het is onaanvaardbaar dat de perceptie van schaarste aan industriegrond door het beleid bevestigd zou worden. Heel wat braakliggende percelen in industriegebied worden om redenen van speculatie aan de markt onttrokken. Voor dergelijke percelen moet op korte termijn een hoge taks op leegstand ingevoerd worden.
  • Percelen in industriegebied mogen door overheden (GOM, intercommunale, stad) niet meer verkocht worden aan bedrijven. Enkel het verhuren van industriegronden door de overheid garandeert een gezonde marktwerking waar indien nodig bijsturing mogelijk blijft.

Uitbouwen van volwaardig toegankelijk en veilig multimodaal verkeerssysteem

* Uitbouw van een logische wegenhiërarchie

  • In principe takken buurtwegen, wijkwegen, wijkverdeelwegen, gemeentelijke wegen, intergemeentelijke wegen, gewest- en rijkswegen hiërarchisch op elkaar aan. In de praktijk wordt dit nuttige principe echter vaak niet gevolgd en worden vaak één of meerdere hiërarchische niveaus gewoon overgeslagen. Dit leidt vanzelfsprekend tot tal van verkeersonveilige situaties. Eenvoudige maar efficiënte ingrepen kunnen niet alleen de verkeersveiligheid op wijkniveau fors verhogen (minder doorstromingsmogelijkheden, weren sluipverkeer,…) , maar ook de leefbaarheid verhogen.

* Netwerk van fietsinvalswegen

  • Voor de invalswegen voor autoverkeer moet een parallelle snelle en veilige fietsverbinding ingericht worden. Voor de Oostendse Steenweg wordt dit: Blankenbergse Dijk - Spreeuwenstraat; voor de Blankenbergse Steenweg: Lisseweegs Vaartje - Zeveneke en Vaartstraat; voor de Brugse Steenweg: Noorweegse Kaai; het Zuidervaartje en de Polderstraat; voor de Moerkerkse steenweg: Brieversweg en Aardenburgse Weg; tussen Maalse steenweg en Baron Ruzettelaan; voor de Baron Ruzettelaan: Vaartdijkstraat en Tragelweg; voor de Koning Albert I-laan: Rijselsestraat; voor de Torhoutse steenweg: Diksmuidse Heirweg en Doornstraat; voor de Gistelse steenweg: Doornstraat en Zandstraat - Legeweg; een non-stop netwerk langs een aantal kanalen
  • Daarnaast moeten ook de verbindende wegen, in het bijzonder de steenwegen en de tangentiële assen veilige fietsvoorzieningen krijgen.

* Ontwikkeling light-railnet

  • Met een beperkte investering kan op het bestaande spoornet een light-railsysteem uitgebouwd worden. Voorwaarde is het voorzien van nieuwe stopplaatsen aan Blauwe Toren, Waggelwater en Loppem-dorp, naast het bestaande station Brugge en de treinstopplaats Brugge-St.-Pieters. De bediening kan verzekerd worden door een pendeltreintje, aangevuld met aangepaste dienstregelingen van bepaalde reguliere lijnen (lokale, piekuur- intercity- en occasionale treinen).
  • Dit light-railsysteem zou de aansluiting van de Brugse regio op het nationale treinverkeer sterk verbeteren, maar zou ook de toegankelijkheid en duurzame bereikbaarheid van enkele concentraties van werkgelegenheid verbeteren.

* Doorstromingsmaatregelen voor openbaar vervoer op invalswegen

  • De belangrijkste openbaar-vervoerassen moeten ook als ontwikkelingscorridor worden beschouwd. Om dit concept te laten functioneren is een vlotte doorstroming van het busverkeer onontbeerlijk. In het bijzonder op de piekmomenten is de commerciële snelheid van de bussen op de invalswegen beneden alle peil. Doorstromingsmaatregelen voor het openbaar vervoer zijn dan ook noodzakelijk.
  • Afhankelijk van de plaatselijke situatie kan dit gerealiseerd worden door het realiseren van vrije busbanen of door verkeerslichtenbeïnvloeding. Verkeerslichtenbeïnvloeding (groen licht waar de bus staat aan te schuiven) kan in het bijzonder nuttig zijn bij de aantakkingen van de invalswegen op de ring.
  • Voor de omgeving van het station moet een aangepast circulatieplan worden opgemaakt. Op lange termijn moet nagedacht kunnen worden over een eventuele ondertunneling van het autoverkeer.

* Onderzoek naar bootverbindingen tussen randstedelijke gebieden en binnenstad

  • Het omvangrijke waternetwerk waarover Brugge beschikt vraagt om een onderzoek naar het inzetten van boten als onderdeel van het netwerk van openbaar vervoer.

* Locatiebeleid

  • Het mobiliteitsprofiel van nieuwe functies moet afgestemd worden op het bereikbaarheidsprofiel van de locaties. Met name de A- (stationsomgevingen), B- (omgeving Expresweg) en D-locaties (voor watergebonden bedrijvigheid) kennen een duidelijk profiel waarop moet ingespeeld worden.

Bijlage 1: Inbreiding in woongebieden: onverhoopte uitdagingen voor de toekomst wachten op realisatie

Vandaag is het nodig de open ruimte van morgen te beschermen. Daarnaast stellen zich ook vanuit de optiek van de vergrijzing enorme ruimtelijke uitdagingen. In Nederland werd daarom besloten om woningen bij het afleveren van een bouwvergunning aan bepaalde voorwaarden te laten voldoen zodat het tevens mogelijk zou zijn om - mits bepaalde ingrepen - toe te laten dat de bewoners ook in de woning oud zouden worden. Vanuit sociaal oogpunt stellen zich eveneens uitdagingen waar planologen best niet blind voor zouden zijn: onze maatschappij vervreemdt van de medemens. Het is duidelijk dat de planningsconcepten die gehanteerd worden bij de ontwikkeling van woonentiteiten mede het gedrag van mensen bepaalt. Wanneer men voornoemde drie uitdagingen analyseert stelt men vast dat deze uitdagingen kunnen leiden tot een win-winsituatie. We lanceren dan ook het voorstel om - binnen de grenzen van de bestaande woongebieden - de stedenbouwkundige regelgeving te herzien in functie van het creëren van dubbelwoonsten. Deze zouden moeten toelaten om bejaarde ouders (of andere mensen) in een eigen kleine aansluitende woning te voorzien die afgestemd is op de behoeften van bejaarde mensen. Het spreekt vanzelf dat in die zin enige flexibiliteit en gezond verstand aan de dag wordt gelegd met betrekking tot bouwafstanden. Hetzelfde geldt voor wat betreft lichtinval (beperking van de hoogte in sommige gevallen et betrekking tot het schaduweffect; dit is niet tegenstrijdig met de eisen die aan bejaardenwoningen gesteld worden). Een aantal bekende goede voorbeelden kunnen daartoe zeer inspirerend werken.