DE LICHTVOETIGE STAD

 * Woensdag 18 mei 2005. Lezing GGS (KULeuven) door Jozef De Coster, voorzitter GGF. 5


HET GROENE GORDEL FRONT (GGF)
EN DE STRIJD VOOR EEN BETER BELEID INZAKE RUIMTELIJKE ORDENING IN BRUGGE EN OMMELAND

1. Ecologische lichtvoetigheid, een belangrijke (maar verwaarloosde) doelstelling van ruimtelijke ordening.

Voor niet-deskundigen in aangelegenheden van ruimtelijke ordening is het meestal onduidelijk welke ordeningsprincipes moderne stadsplanners hanteren en volgens welke hiërarchie. Welke idealen trachten zij te dienen? Levenskwaliteit, esthetiek, economische ontwikkeling, mobiliteit, milieuvriendelijkheid, stadsidentiteit, homogeniteit, diversiteit, demografische en sociale mix, …?

Wat (voorlopig) niet erg hoog op het lijstje van ruimtelijke ordeningsdoelstellingen lijkt te staan is het ecologisch lichtvoetiger maken van dorpen en steden. Nochtans heeft stads-planning een zeer belangrijke rol te spelen in het zo licht mogelijk maken van de druk die mensen onvermijdelijk uitoefenen op de natuurlijke omgeving.

Waarom is ecologische lichtvoetigheid vandaag zo belangrijk?
De moderne mens is niet enkel een zeer kwetsbaar wezen dat niet in staat is zich lange tijd te handhaven in de vrije natuur, het is ook een uiterst dominant wezen dat tegen een razend ritme de levende natuur exploiteert, vervuilt en bijna onomkeerbaar transformeert. De biosocioloog Edward O.Wilson (‘Consilience’, 1998) ziet de levende natuur tegen een ontstellend tempo veranderen in een soort prothese, waarin de menselijke soort gedijt en uitdijt. Maar zo dit proces zich nog een paar decennia verder zet dreigt het de vitale functies van de natuur te verlammen. Zelfs zo op miraculeuze wijze vanaf morgen, voor de hele aarde, het vervangingscijfer van 2,1 kinderen per vrouw zou worden bereikt, zouden er in 2050 toch 7,7 miljard mensen op deze planeet leven. Het zullen er wellicht een paar miljard meer worden (tenzij nucleaire of andere catastrofen tot massale uitroeiing hebben geleid). Vermits de komende decennia de gemiddelde welvaart en levensduur normaliter nog zullen toenemen, betekent dit dat het momenteel al erg op de proef gestelde herstelvermogen van belangrijke ecologische systemen (inclusief degene die nodig zijn voor voedsel- en watervoorziening) onvermijdelijk overschreden wordt.

Dat de dreiging van fatale instorting van ecologische systemen reëel is, lijkt nog niet echt doorgedrongen te zijn tot de leidinggevenden in deze wereld. Politici en economisten lijken de geleidelijke aftakeling van het milieu eerder als ‘een commercieel interessante uitdaging voor de milieu-industrie te zien dan als een reden tot grote bezorgdheid. De Britse topdiplomaat en architect van Blair’s buitenlandse politiek Robert Cooper bestond het onlangs een boek te schrijven over de toenemende instabiliteit in de wereld (‘The Breaking of Nations’, 2004) zonder enige verwijzing naar één der hoofdoorzaken van die instabiliteit –milieustress veroorzakende overbevolking met een daling van de voedselopbrengsten per hoofd van de bevolking als onvermijdelijk gevolg. In nogal wat landen en gewesten die internationaal competitief genoeg zijn om zich een ecologische voetafdruk te veroorloven die vele malen de eigen oppervlakte overtreft (voor Vlaanderen naar schatting 15 maal) lijken de leiders niet te beseffen dat de huidige comfortfase zeer snel kan omslaan in een paniekfase. Elke dag die zij laten verstrijken zonder vrijwillig vanuit de comfortfase in een actieve stressfase te stappen is een verloren dag.

De tijd dat een land voor zijn eigen bevolking ‘Lebensraum’ kon bijwinnen door oorlog of kolonisatie is (hopelijk) voorbij. De zogenaamde ‘globalisatie’ in de betekenis van de ingebruikname van hulpbronnen (landbouwarealen, grondstoffen, olie, goedkope arbeid,…) waar ook ter wereld door transnationaal opererende bedrijven biedt tijdelijk soelaas –aan de rijkste delen van de wereldbevolking. Mede door de snelle, milieubelastende groei van een aantal omvangrijke ontwikkelingseconomieën (China, India, Brazilië, Rusland,…) zien wij niet enkel de welvaartbrengende “invisible hand of God” (Adam Smith, The Wealth of Nations, 1776) krachtig aan het werk, maar ook een stel destructieve duivelspoten. Het kan niet lang meer duren vooraleer de té grote ecologische voeten van de rijke landen en de ongewassen razendsnel groeiende voeten van de arme landen elkaar duchtig pijn doen.

Grote inspanningen zijn nodig om zo snel mogelijk onze asociale ecologische voetafdruk te verminderen. Individuele inspanningen kunnen echter slechts vrucht dragen binnen een stimulerend kader op verschillende niveau’s van organisatie. Een intelligente ruimtelijke ordening is een krachtig instrument ter matiging van de ecologische voetafdruk. Wie te voet, per fiets of met het openbaar vervoer gemakkelijk in de buurt komt van iedereen en alles waar hij/zij behoefte aan heeft, hoeft geen ‘grote voeten’. Uiteraard dient ook op nog vele andere wijzen geijverd te worden voor het verlichten van crimineel zware ecologische groeivoeten.

2. Brugge en de wet van de remmende voorsprong.

Het Groene Gordel Front in Brugge en Ommeland (GGF) ijvert voor een dynamische, maar ecologisch lichtvoetige stad, die zich ontwikkelt in permanent evenwicht met de natuur. Het GGF besteedt daarbij bijzondere aandacht aan de relatief goed bewaard gebleven, maar kwetsbare en momenteel op diverse plaatsen bedreigde groene gordel rond Brugge (het Lappersfortbos, het open Chartreusegebied).
Dankzij een vooruitziend decreet van Koningin Elizabeth uit 1580 zijn vele Engelse steden omringd gebleven door aantrekkelijke groene gordels die de landbouwgrond beschermen en het uitdijen van de stad tegen gaan.
De inleidende tekst van het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan van Brugge (‘Een toekomstvisie voor Brugge,’ juli 2004) lijkt te suggereren dat het Brugse stadsbestuur qua duurzame visie niet moet onderdoen voor de voormalige Britse Koningin. Helaas is dit slechts schijn.
Het Groene Gordel Front stelt vast dat de keuze die in het Brugse GRS-document wordt gemaakt ten gunste van een compacte stad, het versterken van de bos- en groenstructuur en het bewaren van de open ruimten, in de bestuurlijke praktijk niet consequent wordt gevolgd. In plaats van creatieve inbreidingsprojecten in te leiden of aan te moedigen in te herwaarderen gebieden (bv. de Brugse binnenhaven of de stationsomgeving) blijft Brugge cynisch aansturen op uitbreiding in ‘renderende’ resterende open ruimten.
Hoe kan deze tweespalt tussen woord en daad worden verklaard? Indien niet door inert denken (het blinde expansiedenken van de 20e eeuw), prestigezucht of plat mercantilisme, dan door zelfgenoegzaamheid! Het Brugse stadsbestuur vindt dat het goed bezig is, ook qua ruimtelijke ordening. Het is een gewillig slachtoffer van de door de Nederlandse historicus Jan Romein geformuleerde ‘wet van de remmende voorsprong’.
Brugge scoort inderdaad op vele punten goed in de vergelijking met andere Vlaamse centrumsteden. Het is aangenaam leven in Brugge. De burgers zijn opmerkelijk tevreden.
Ook qua milieubeleid kan Brugge heel wat pluimen op z’n hoed steken. Brugge was eind 1979 de eerste stad in Vlaanderen die een specifieke leefmilieudienst oprichtte. De stad voert een behoorlijk actief beleid inzake bossenaankoop en nieuwe bosaanplantingen.
Het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan, voorbereid door de Groep Planning, is een doordacht document, dat het principe van ‘duurzaamheid’ vooropstelt (maar helaas niet consequent uitwerkt).
Ook het Gemeentelijk Milieubeleidsplan 2005-2009, opgesteld door de stadsecoloog, is op duurzaamheid gericht. Het toont aan dat er op tal van domeinen die met milieu te maken hebben, in Brugge al flink wat werd gerealiseerd (maar tevens dat er nog heel veel te doen valt).
Het West-Vlaams Economisch Studiebureau van de GOM West-Vlaanderen, gelegen in Brugge, maakt zich ondermeer verdienstelijk met het duurzamer maken van een paar Brugse industrieterreinen.
Hoe dan te verklaren dat het huidig stadsbestuur bereid is zijn blazoen te besmeuren, door een paar evidente flaters tegen de principes van duurzame ruimtelijke ordening? Zo functioneert ‘de wet van de remmende voorsprong’ nu eenmaal. Wee de pocherige voorlopers van vandaag; in een mum van tijd liggen zij op achterstand.

3. ‘Gefälligkeitsdemokratie’ in Brugge.

Onder ‘Gefälligkeitsdemokratie’ verstaat men een democratie die te allen prijze poogt het de kiezers naar hun zin te maken.
Een belangrijk kenmerk van dergelijke democratie is dat zij belangrijke beslissingen eerder baseert op de voorkeur van een meerderheid van de kiezers dan op degelijke argumenten.
De ontzetting van het Lappersfortbos leidde in oktober 2002 tot een rumoerige betoging in Brugge door 4.000 in hun wiek geschoten mensen. De Brugse politici blijken veel sterker rekening te houden met dergelijk demonstratief signaal dan met steekhoudende argumenten in verband met bijvoorbeeld de natuurwaarde van het Lappersfortbos, zijn waterbufferingsfunctie, enzovoort.
Rond de geplande hoofdkwartierenzone in het open gebied van de Chartreuse zijn geen massa-acties gevoerd. Aan het voorstel van het Groene Gordel Front om liever een hoofdkwartierenzone in te planten in de buurt van de stationsomgevingen van Brugge of een andere A-locatie wordt dan ook weinig aandacht besteed.
Een ander kenmerk van de ‘Gefälligkeitsdemokratie’ is dat zij niet op eigen gezag offers durft te vragen van kiezers en belangengroepen. Het voeren van een vooruitstrevend beleid van duurzame ruimtelijke ordening vergt echter offers. Dus beperkt het Brugse stadsbestuur zich liever tot lippendienst aan de principes van duurzame ruimtelijke ordening, in plaats van ze in de harde praktijk toe te passen.
De ‘Gefälligkeitsdemocratie’ houdt niet van mondige mensen. Net als Kant (“Aufklärung ist der Ausgang des Menschen aus seiner selbstverschuldeten Unmündigkeit”) gaat het GGF er van uit dat mensen zelf schuld hebben aan hun onmondigheid. Het poogt dan ook naar best vermogen zich grondig te informeren en op basis van redelijke argumenten zijn standpunten in de publieke arena te verdedigen. Het pleit niet voor de Brugse burgervader dat hij ostentatief elk overleg met een mondig netwerk zoals het Groene Gordel Front uit de weg gaat.
Het GGF dringt systematisch aan op de creatie, in Brugge, van een Ronde Tafel Raad, die naar het model van de Turnhoutse Communicatieraad, periodiek en structureel ingelicht wordt en zijn mening mag geven over de door de stad geplande projecten. Blussen voor het brandt !

4. De asymmetrische relatie tussen enerzijds actiegroepen en anderzijds overheid en economische spelers (voorbeeld: het Lappersfortbos).

Actiegroepen staan in een uitgesproken underdog positie tegenover de stedelijke en hogere overheid en uiteraard tegenover machtige economische spelers.
- Het Groene Gordel Front draait op de inzet van vrijwilligers en, sinds vorig jaar, op een subsidie van 1.000 Euro vanwege de Bond Beter Leefmilieu. Het merendeel van deze vrijwilligers zijn overvraagd. Behalve in het Groene Gordel Front zijn ze ook nog actief in andere verenigingen (Natuurpunt, Fietsersbond, Groen Vzw,…). Een goede balans werk/gezin/actievoeren/zelfontplooiing/hobby’s valt moeilijk te realiseren.
Inzet en goede wil van vrijwilligers zijn niet opgewassen tegenover een overheid die vast personeel en desgewenst studiebureaus tot haar beschikking heeft.
- Vrijwilligers en sympathisanten die hetzij voor de overheid werken, hetzij in bedrijven die om commerciële redenen goed moeten staan met de stedelijke of een hogere overheid, houden zich in actiegroepen bewust op de achtergrond. Dit heeft ondermeer tot gevolg dat actiegroepen, bijvoorbeeld bij ontmoetingen met kabinetsmedewerkers, technisch minder sterk uit de hoek kunnen komen.
- Van actiegroepen wordt verwacht (heel terecht overigens) dat zij hun eventuele kritiek op plannen van de overheid sterk onderbouwen. Ook hun eigen alternatieve voorstellen moeten zij van stevige argumenten voorzien. De overheid daarentegen kan zich veroorloven met een minimum aan argumentatie allerhande plannen op tafel te gooien en al dan niet uit te voeren.
- Actiegroepen komen vaak op voor een moeilijk omschrijfbaar ‘algemeen belang’ en dat weegt in debatten over concrete dossiers gewoonlijk minder zwaar door dan de onmiddellijke belangen van ‘belanghebbenden’.

Hoe de asymmetrische krachtsverhoudingen in een betere balans brengen?
De Vuurbloem, het centrum voor geweldloosheid dat in 1991 in Brugge werd opgericht door Pat Patfoort en Josiane Burrick, ziet in het zogenaamde M-m model of Meerdere-mindere model, dat de boventoon voert in onze samenleving (en nog veel sterker in tal van andere samenlevingen), de bron van veel conflicten. Wanneer de Meerdere zijn machtspositie ten nadele van de mindere aanwendt, pleegt hij geweld, en dat gebeurt dus volop. Volgens Pat Patfoort is de essentie van geweldloosheid ‘nederigheid’. Alleen waar voldoende nederigheid aanwezig is heeft het alternatieve ‘Gelijkwaardigheidsmodel’ een kans.
De Vuurbloem heeft aangeboden om te bemiddelen tussen het stadsbestuur en het Groene Gordel Front. Is burgemeester Patrick Moenaert, een CD&V-stemmenkanon, nederig genoeg om dergelijke bemiddeling te aanvaarden? Zijn de Lappersforters, die zichzelf als nobele anarchisten zien, nederig genoeg?

Om niet afhankelijk te zijn van de goede wil van overheden en belanghebbenden, probeert het GGF de bestaande asymmetrie te doorbreken door ondermeer verrassende en tot de verbeelding sprekende prikacties te voeren, maximaal profijt te trekken uit de diversiteit van het netwerk en altijd bondgenoten te zoeken met Hanze-visitaties.
Bij prikacties spelen de handvaardige en offerbereide ‘Zandvoordse Struikrovers’ een prominente rol.

Het erg diverse GGF-netwerk omvat ondermeer een aantal ‘grote broers’ (Bond Beter Leefmilieu, Vereniging voor Bos in Vlaanderen, Natuurpunt,…) die nuttige inlichtingen en adviezen leveren en regelmatig hun medewerking verlenen aan interventies en acties. Belangrijk zowel voor de morele status als voor de blijvende bezieling van het netwerk is de bijdrage van de dichters die deel uitmaken van de ‘Lappersfort Poets Society’. Deze dichters beperken zich niet tot het schrijven van toepasselijke ‘bosgedichten’. Zij verschijnen ook regelmatig in levende lijve in de omgeving van het Lappersfortbos.

Naargelang de omstandigheden kan het GGF ook beroep doen op gespecialiseerde advocaten, planners, architecten, en politieke insiders van diverse politieke partijen.
In het streven naar een ‘compacte stad’ is de Brugse middenstand de objectieve bondgenoot van het GGF. In de strijd voor het behoud van bepaalde delen van de groene gordel rond Brugge zal het GGF zo mogelijk dienen samen te werken met gemotiveerde landbouwers.

5. Sociale aspecten van ruimtelijke ordening

Een slecht beleid inzake ruimtelijke ordening blijkt systematisch vooral ten nadele van de zwakken uit te vallen. De ‘money bags’ halen er vaak voordeel uit. Dat is duidelijk zo in ontwikkelingslanden. Maar ook in eigen land vallen voorbeelden aan te stippen (zie hieronder: het hoofdkwartierenproject in het Brugse open Chartreusegebied).
.
In Bombay (thans Mumbai genoemd) vestigen zich momenteel, tot ontsteltenis van Indiase milieu-activisten en van de welgestelden die vanuit hun villa’s een mooi uitzicht hebben op de mangrovebossen langs de noord-westelijke kust van de stad, steeds meer haveloze families in de mangrovebossen. Dit is erg, niet enkel voor de mangrovebossen, maar ook, beweren milieu-deskundigen, voor die armen zelf, want vroeg of laat zal een vloedgolf of een tsnunami inbeuken op dit deel van de kust en, niet langer gehinderd door een dichte mangrovebegroeiing, ontelbare slachtoffers maken onder de illegale bewoners.

In de zuid-Russische stad Kursk staat elk jaar, tijdens de dooiperiode, een hele woonwijk langs de Seim rivier onder water. Het betreft uiteraard geen villawijk, maar een soort sociale woonwijk.

In Kiev (2,6 miljoen inwoners), de hoofdstad van Oekraïne, een niet onaantrekkelijke stad met meer dan duizend jaar geschiedenis, woedt momenteel een slag tussen de stedelijke overheid en ruimtelijke ordeningsactivisten voor het integraal behoud van de stads- en schoolparken en de nog grotendeels ongerepte heuvels met uitzicht op de Dnepjr. “Wie geld genoeg heeft, kan bouwen waar hij wil,” zegt de dappere professor architectuur Larysa Skoryk, oprichter van de ‘Club voor Esthetische Ongehoorzaamheid’.

In het centrum van Kaïro is het busstation dat zich vroeger op het centrale Tahrirplein bevond overgeheveld naar een grote ruimte juist achter het befaamde Egyptisch Museum. Wie daar te voet heen wil moet meermaals als een haas tussen auto’s doorrennen en goed uitkijken waar ergens een opening te vinden is in de metalen afsluiting van het busstation. De boodschap van de stadsplanners is gemakkelijk te coderen: fatsoenlijke mensen nemen een taxi, wie in een goedkope bus wil reizen moet het zelf maar weten.

In Brugge wordt een hoofdkwartierenzone gepland op een pure autolocatie, vlakbij de autosnelweg (in het open gebied van de Chartreuse). Een uitgekiende ligging voor hyperkinetische managers en adviseurs, die vaak meermaals per dag hun kantoor binnenduikelen om even later weer haastig te vertrekken. De vraag dient gesteld of het geoorloofd is al het overige personeel, dat zijn brood verdient in zo’n hoofdkwartierenzone (misschien 80% van de totale tewerkstelling), te beroven van de alternatieve keuzemogelijkheden qua mobiliteit die een A-locatie zou bieden (trein, bus, fiets, te voet). Hier is sprake van een ergerlijke, asociale bevoordeling van de topmensen ten nadele van het gewone personeel.

Ruimtelijke ordening in Bombay (wonen langs de spoorweg)

Jaarlijks doodt het treinverkeer in Bombay ongeveer 3.500 mensen; dat zijn er gemiddeld bijna 10 per dag. Zowat 85% van de slachtoffers worden bij het oversteken van de sporen overreden of dodelijk geraakt, 14% vallen van de trein en 1% slaat te pletter tegen palen die dicht tegen de sporen staan. Ook al nemen dagelijks 6 miljoen mensen de trein, tien doden is een hoge tol. Wat kan men daartegen doen?
Je moet geen ingenieur zijn om meteen een gezonde technische oplossing te bedenken: zorg voor automatisch sluitende treindeuren en versper de toegang tot de spoorwegbeddingen zodat mensen niet langer over de sporen kunnen lopen.
Ware het maar zo simpel.
Waarom hangen pendelaars aan de buitenkant van een trein? Soms bij gebrek aan een zit- of staanplaats. Maar vaak ook omdat zij te arm zijn om een treinticket te kopen. Dit is natuurlijk niet het soort klanten waarvoor het bestuur der spoorwegen van Bombay (GTB) zich grote moderniseringsinvesteringen op de hals wil halen. Fatsoenlijke klanten die een ticket eerste klas betalen hangen niet in trosjes aan deuren en ramen; dit is trouwens ten strengste verboden.
Waarom begaan zo velen de onvoorzichtigheid om over de sporen te lopen? Aan de basis van dit gevaarlijk gedrag ligt een falend ruimtelijk beleid. Honderdduizenden mensen hebben hun woning opgetrokken op de vrije strook van 10 meter langs beide kanten van het spoor. Zij hebben deze ‘hutments’ dààr gebouwd met eigen handen en met gevonden materiaal (hout, plastiek, allerhande afval), niet omdat zij dol zijn op het uitzicht en het geluid van voorbij dokkerende treinen, maar omdat de grond er gratis is. ‘Gratis’ is misschien niet het correcte woord. Het punt is dat voor deze grond geen prijs wordt gevraagd. Het is immers verboden zich daar te vestigen.
De GTB is allesbehalve opgezet met de ‘hutments’ langs de sporen. Ze heeft daar diverse redenen voor. Ze maakt zich sterk dat zij op vele trajecten de snelheid van de treinen zou kunnen opvoeren van de huidige 80 km/u tot 90 km/u indien de hutments zouden verdwijnen. Ze wijst op het onvoorzichtig gedrag van de hutment-bewoners, waarvan er elke dag wel enkele onder de trein lopen en aldus jammerlijke vertragingen veroorzaken. Bijzonderlijk ergerlijk is de gewoonte van vele hutment-bewoners om niet enkel hun afval tussen de sporen te keilen, maar er zowaar hun gevoeg te doen (waar anders? ze beschikken niet over toiletten). Daardoor gaan de dwarsbalken rotten. De onderhoudsmensen van de spoorwegen staan hier machteloos. Zij behoren immers niet tot de lage kaste die het toevertrouwd is menselijke uitwerpselen aan te raken. Gevolg: de slechte staat van de houten dwarsliggers dwingt de treinen op sommige plaatsen tot een snelheid van amper 15 km/u , ook al is de voorgeschreven snelheid 80 km/u.
Politie-acties om de hutment-bewoners weg te jagen halen niet veel uit. Een man die al 22 jaar langs een GTB-spoorlijn woont, deed in een lokale krant als volgt zijn beklag: “Het wordt steeds erger. Tegenwoordig wordt mijn huis minstens vier keer per jaar afgebroken. Het vergt mij en mijn buren telkens drie dagen om onze huizen weer op te bouwen.”
Een oplossing is niet in zicht. Waar moeten de hutment-bewoners heen? Naar schatting 16 miljoen mensen leven in Bombay opeengepakt op een oppervlakte van 437 vierkante kilometer. Ter vergelijking: de provincie Antwerpen heeft een oppervlakte van 2.861 km2 of ongeveer 6,5 keer die van Bombay.

6. Het ‘Hanze Ruimtelijk Structuurplan’ van het GGF.

Cf. het document, inclusief een gekleurde overzichtskaart, op de website van het Groene Gordel Front ( www.ggf.be )

Het Hanze Ruimtelijk Structuurplan (HRS) is een document, geschreven door en voor Bruggelingen, dus ‘uit de basis’ gegroeid (weliswaar door vakmensen uitgewerkt), dat op een consequente wijze de ruimtelijke ordeningspremissen voor een ‘duurzaam Brugge’ uitzet.

Het HRS is (hoewel het GGF daartoe niet werd uitgenodigd) een poging tot ‘co-productie’. Via dit document bewijst het Groene Gordel Front dat het zich niet wil beperken tot gemakkelijk ‘neen-geroep’ en zelfs niet tot loutere kritiek op het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan van Brugge. Het GGF wil een inhoudelijk en technisch verdedigbaar alternatief aanbieden.

Het HRS is consequenter en heel wat progressiever dan het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan van Brugge. Het biedt een toekomstvisie op een economisch/ecologisch/sociaal vooruitstrevende stad, een hoogst aantrekkelijke polis voor Bruggelingen, een magneet voor toeristen. Daar dienen offers voor gebracht: het compacter maken van de binnenstad (verweving van wonen en werken), het creatief ‘anders’ gaan bouwen in de residentiële randstedelijke lobben, het definitief stopzetten van bijkomende ontwikkelingen in de periferie, de status-quo in de omringende satellieten.

Het HRS stelt groene wiggen (die het buitengebied in de stad brengen) en een groene gordel (die het dichtslibben van de open ruimte belet) als harde randvoorwaarden. Het countert de plannen om in de groene gordel bijvoorbeeld een hoofdkwartierenzone te ontwikkelen door te wijzen op het grote ontwikkelingspotentieel in Brugse A- en B-locaties. Gezien de sterke onderbenutting van de ruimte in de bestaande industriegebieden dringt het HRS aan op verdere ontwikkeling aldaar via inbreiding.

Het HRS wil van Brugge een bij uitstek ‘multimodaal’ mobiele stad maken. In nog sterkere mate dan thans reeds het geval is moet Brugge een (veilige!) fietsstad worden, een openbare vervoer-stad (ondermeer via de bouw van een light rail verbinding), en zo mogelijk een bootstad (openbaar vervoer per boot).

* Voor GGS brachten we 2 lezingen en beeldmateriaal ( zie tekst op www.ggf.be ‘GGF als paard van Troje & Club van Brugge ) tijdens het lesvak ‘bijzondere problemen’, begeleid door prof. Schreurs. Voorgaande sprekers waren : een aantal stedenbouwkundige ambtenaren om een bepaald structuurplan uit te leggen (Oostende, St-Truiden, Gent, Leuven), de stadsarchitect van Eeklo, Linda Boudry ivm. de thuisindestadsdebatten, Paul Robberecht en een stedenbouwkundige ambtenaar over ontwikkelingen in Ronse, Rients Dijkstra (van het bureau MAXWAN), Secchi, kleine bureau’s als HUB,… GGS-SRO staat voor gediplomeerde in de gespecialiseerde studies voor ruimtelijke ordening en stedenbouw. De studenten zelf zijn architecten, ir. architecten, planologen of studenten met een GAS-diploma.