Ballade van een Lappersfortertje

 

Elegie voor Ieper

 Als de aarde rilt, bulldozers

snodder splijten en rupsbaan

klauwen in het verleden,

als Bellewaerde joelt en juicht,

dan huiveren in Flanders Fields

de klaprozen.

 

 ’s Nachts duiken schimmen op

tussen witte, stenen tempelzuilen,

klaagliederen neuriënd

tussen witgekalkte graven

in winters maanlicht.

 

Diggers hurken neer en ontwarren

de vergeten waanzin:

gebeente, gebit, skelet,amulet

half verteerd, versteend,verkoold:

ooit verdoemd in Flanders Fields.

 

Temporarlly gentleman ijlen

tastend voorbij, knarsetandend

om de schrale, witstenen troost:

Elkerlic zal nooit verzadigd zijn,

de godslastering nimmer beëindigd.

 

Te Bellewaerde stoten kinderen

de zandloper met de tweeloop

der getijden, argeloos omver:

bovenaards de ijdele hoop,

onderaards de dood;

archieven blijven ongeopend:

Ieper weent ondergronds.

 

Paul Saccasyn

Gasaanval Bellewaerde